massage-6

Voelen – mindful yoga

Mindful yoga is een uitnodiging om te voelen; om je lichaam te voelen en de stemmingen en emoties die zich in het lichaam openbaren. Mindful yoga nodigt je ook uit om wat je voelt welkom te heten en niet te ontwijken of weg te werken. Achter ontwijken of wegwerken schuilt een reden: een gedachte, of een innerlijke stem met een bepaalde lading of emotie. Mindful yoga nodigt je uit deze op te merken en ook welkom te heten. Zo is mindful yoga een manier om je bewust te worden van je lichaam, je emoties en je geest. Bewust worden kan worden omschreven als iets opmerken en erkennen, we staan erbij en kijken ernaar. We overzien het, ons bewustzijn, onze aandacht neemt iets waar. Mindful yoga nodigt je uit om je aandacht te richten en te versterken. Aandacht is een onbegrensde ruimte van bewustzijn, waarbinnen we vrij dingen kunnen onderzoeken. Vanuit deze vrije aandacht hoeven we ons niet meer te laten leiden door gedachten, emoties en lichamelijke sensaties, niet als ze prettig zijn en niet als ze onprettig zijn en ook niet als ze ons niet boeien.

LAUWERKRANS

Het ware zelf

Het ware zelf is een uitdrukking. Maar wat verstaan we er onder ? Zowel de yoga als het boeddhisme hebben hier een interessant beeld van dat sterk overeen komt. Kort door de bocht komt het er op neer dat het ware zelf is wat we zijn. Maar wat is dan dat wat we zijn ? Laten we de bocht wat ruimer nemen. Als we iemand vragen wie of wat zij is, zal zij hoogstwaarschijnlijk haar voor – en achternaam geven, haar leeftijd en haar dagbesteding: beroep of moederschap. Toch zijn dit allemaal zaken die voor haar geen rol speelden toen ze klein was. Naam, leeftijd en dagbesteding zijn zaken die betekenis hebben voor onze identiteit in de maatschappij, in de wereld. Maar kunnen we een vaste waarde vinden voor ons ware zelf, ongeacht maatschappij of leeftijd ?

Laat ik proberen dit te benaderen middels een vergelijking. Neem bijvoorbeeld een auto. De gemiddelde auto ontleent zijn betekenis niet aan de bestuurder, noch aan de plaatsen waar hij deze gebracht heeft. De auto heeft betekenis omdat hij de mens kan vervoeren. Dat zouden we het ware zelf van de auto kunnen noemen. En als we wat preciezer kijken kunnen we wezenlijke onderdelen van dit transportmiddel benoemen: wielen, motor, stuurinrichting, brandstof, chassis enzovoort.  Het ware zelf van een auto is dus wat deze is. Dus niet wat hij gedaan heeft of nog gaat doen. Zijn betekenis is impliciet, d.w.z. deze ligt opgesloten in wat de auto is en wat hij daardoor kan. Geen enkel wezenlijk onderdeel kan daar buiten worden gelaten. Als we dat wel doen kan de auto niet meer doen wat hem tot auto maakt. Denk aan een oude schoolbus die als hut wordt gebruikt.

Als we dit doortrekken naar het ware zelf van de mens, dan zijn het niet onze prestaties die ons definiëren, maar dat wat we zijn. Dat wat aan ons impliciet is, wat dus in ons opgevouwen ligt. Onze vermogens die verbonden zijn met onze verschillende ‘levensdelen’, zoals daar zijn ons lichaam, onze zintuigen, het denken maar ook gevoelens, emoties, inzicht, compassie enzovoort, bovendien hebben we ook talenten. De opsomming kan preciezer en uitgebreider, maar dat is dus wat we zijn, dat is ons ware zelf. Als we dan weer teruggaan naar de vergelijking met de auto, dan is dat wat bij ons onderhoud verdient.  Een onderhoud dat bij ons in tegenstelling tot een auto tot een verdere ontwikkeling van de diverse levensdelen leidt. Net zoals bij de auto is het onderhoud onze verantwoordelijkheid. Als ons lichaam, onze gedachten, emoties of talenten aandacht nodig hebben die wij vervolgens verwaarlozen, dan gaat dat ten koste van ons ware zelf en zal het ware zelf tegen gaan sputteren, zoals een auto waarvan bijvoorbeeld de brandstof opraakt.

HERSENDELEN prefr

Denken, ervaringen en patronen

Als we onze evolutie onderzoeken zien we dat de hersenen zich hebben ontwikkeld. Tegelijk met deze ontwikkeling is ook het bewustzijn veranderd. Wij verschillen met de dieren daarin dat wij beschikken over het zogenaamde onderscheidende vermogen. Dit vermogen laat zich enigzins uitleggen met de volgende vergelijking: Een dier reageert op een impuls van binnen of van buiten; een mens doet dat ook maar heeft tevens het vermogen deze impuls op te merken, evenals zijn of haar reactie daarop. Een mens heeft een beleving bij een beleving. Als we een paar jaar oud zijn vertalen we deze belevingen naar woorden, gedachten en verhalen.

De mens is in staat om alle delen van die omgeving (maar ook van zijn innerlijk) op te merken. De mens ontwikkelt en gebruikt taal en schrift en is in staat alle vormen te benoemen. De mens merkt ook zichzelf op en benoemt zichzelf ‘ik’, en om de ene ik van de andere te onderscheiden, gebruikt hij eigennamen. Het is in de mens dat het hele universum bewust wordt (De yoga noemt het universum de wereld van vorm en naam).

 

Het brein

We nemen waar via de zintuigen en naarmate we ouder worden kunnen we ook dingen waarnemen door het abstracte denken. Alles wat we opmerken merken we op in het brein. Alle dingen die we ervaren en leren belanden daarin. Het brein is de plek waar alle kennis huist, zowel juiste kennis als onjuiste kennis en het is ook de plek waar we dingen herinneren en waar we kunnen fantaseren. Het brein kan zijn eigen gang gaan, vergelijk het met een wilde aap. Tijdens meditaties kunnen we merken hoe onze gedachten alle kanten op gaan. Persoonlijk vergelijk ik het brein graag met een carrousel. Het brein is, net zoals een machine, voortdurend actief aan het ronddraaien en ondertussen krijgen we allerlei beelden en gedachten binnen. Het is een soort automaat, een levend archief met een eigen wil. Het brein ondersteunt ons overlevingsinstinct. Het brein is als een verwachtingsmachine die op basis van onze ervaringen vooruit kijkt en letterlijk voorzichtig is. Misschien wordt het nu duidelijker waarom we vaak automatisch dezelfde handelingen onbewust kunnen verrichten zoals bijvoorbeeld fietsen en waarom we vaak automatisch en onbewust vast kunnen lopen in bepaalde situaties.

 

Persoonlijk

Als we heel klein zijn, komt de wereld bij ons binnen als één groot geheel, als één stralend wonder, zonder de onderverdeling in vorm en namen, zonder enige andere betekenis (gedachte of oordeel) dan de ervaring zelf. Van kinds af aan doen we ervaringen op en leren we gaandeweg alles opmerken, herkennen en te benoemen en ook nog in verband te plaatsen. We leren ons te gedragen binnen de verschillende sociale verbanden van gezin, straat, school, stad, land en aardbol. Zo bouwen we beelden op van de werkelijkheid: een wereldbeeld, een mensbeeld en een ik-beeld. Dit alles bevindt zich in het brein. Met name in ons gezin ontwikkelen we een bepaalde manier van sociale omgang. Dit wordt een patroon waarin we ons ‘thuis’ voelen en waarmee we onszelf identificeren. Maar elke vorm heeft een voor en een achterkant, dus ook een gezin heeft prettige kanten en onprettige kanten. Als kind zijn we daaraan overgeleverd. We zijn afhankelijk van onze opvoeders. De onprettige aspecten van onze opvoeding kunnen we niet veranderen. We kunnen enkel ons gedrag zo aanpassen dat we binnen de gegeven mogelijkheden optimaal kunnen functioneren. De onprettige ervaringen, onze reacties in aanpassing daarop, onze teleurstellingen en gekwetstheden, alle bevinden zich in het brein, maar daarnaast ook als herinneringen in onze cellen en in onze lichaamsspanning. Het brein, met al haar inhouden en fantasie maakt er een verhaal van. Dezelfde jarenlange manier van omgang binnen een gezin wordt zo tot een automatisch patroon in het brein, dat vergezeld gaat van bepaalde gedachten. Op latere leeftijd herhalen wij deze patronen, terwijl onze situatie allang is veranderd. Zelfs als we niets doen en alleen zijn zal de mind, gezien zijn kermisachtige aard, het verleden steeds rondstrooien, recht in de ogen van onze aandacht. Bovendien zal het brein op die situaties, die ons herinneren aan het verleden, reageren met de bekende automatische patronen.

 

Ons ware zelf

Een en ander zal ons niet onbekend voorkomen. We zijn ons er min of meer van bewust als we geraakt worden en in een automatisch gedrag terecht komen. We merken het dus wel op. Dat opmerkend of onderscheidend vermogen staat eigenlijk los van de inhoud van ons brein. Het onderscheidend vermogen is hier en nu altijd aanwezig, en het is dan ook daar waar we vanuit een vrije positie de inhouden van ons brein kunnen opmerken en op een vruchtbare manier tegemoet kunnen treden. De mindfulness spreekt hier van het panoramisch bewustzijn, dat zetelt in het voorhoofd.

 

Subtiel en grofstoffelijk

De yogafilosofie ziet het lichaam en dus ook het brein als een grofstoffelijke uitdrukking van een niet stoffelijke lichaam – denk aan geest en ziel. Volgens de yoga denken we niet in ons brein maar is het brein de fysieke poort waarlangs ons bewustzijn zich manifesteert. Het brein vormt zich aan de hand van onze ervaringen en zo krijgt de ‘poort’ een zekere vorm. Als we niets doen blijft die bepaalde vorm ons met herhalingen bedienen. Als we nieuwe ervaringen opdoen worden de oude overschreven. Dit vermogen van het brein om nieuwe dingen te leren heet neuroplasticiteit. Willen we onze subtiele geest de juiste kant opsturen dan kan de kennis van de stoffelijke wetmatigheid ons daarbij helpen.